Science Friday - 20.03.2026
Jouw wekelijkse update over sportwetenschappen en coaching.
3LAB is een sportwetenschappelijk coachingbedrijf gespecialiseerd in triatlon en wielrennen. Onze expertise ligt in inspanningsfysiologie · trainingsbelasting · metabole analyse · evidence-based coaching.
Deze week brengen we deze onderwerpen onder de aandacht:
Hartscreening bij atleten - wat betekent dit voor jou?
Waarom je loopeconomie op vlak terrein niets zegt over je prestatie in de trail.
De reparatiebelasting van krachttraining: waarom spierschade hypertrofie eerder vertraagt dan versnelt.
Hartscreening bij atleten - wat betekent dit voor jou?
Plots hartdood treft ook jonge sporters
Plots hartdood (PHD) bij jonge atleten is zeldzaam, maar de maatschappelijke impact is enorm. De incidentie varieert van 0,2 tot 6,8 gevallen per 100.000 atleetjaren. Bepaalde cardiovasculaire aandoeningen worden getriggerd door inspanning, en zonder screening blijven ze onzichtbaar tot het te laat is.
Zowel de Europese (ESC) als de Amerikaanse (AHA) cardiologenvereniging zijn het eens: systematische cardiovasculaire evaluatie van competitieve atleten is medisch én ethisch verantwoord. Maar over hoe die screening eruit moet zien, lopen de meningen uiteen.
De huidige stand van zaken
De onderzoekers analyseerden de bestaande literatuur over pre-participatie screening (PPS), ECG-interpretatie, bijzondere doelgroepen en de economische haalbaarheid van screeningsprogramma’s. Hun belangrijkste bevindingen vat ik hieronder samen.
De belangrijkste bevindingen
1. Het ECG is veel beter dan een vragenlijst alleen
De klassieke vragenlijst over de medische voorgeschiedenis en het lichamelijk onderzoek detecteert minder dan 10% van de levensbedreigende hartaandoeningen. Een 12-afleidingen ECG haalt tot 93,8% sensitiviteit en is daarom een onmisbaar instrument in de PPS.
2. Het ECG lezen bij atleten is complex
Sporthermodellering van het hart kan gelijkenissen vertonen met een cardiomyopathie. De huidige internationale criteria (2017) verdelen ECG-bevindingen in drie categorieën: normaal, borderline en abnormaal. Maar er is een update in de maak, want recente studies stellen bestaande drempelwaarden in vraag.
3. Vrouwen, jongeren en masters zijn ondervertegenwoordigd
De huidige criteria zijn grotendeels gebaseerd op studies bij jonge mannen. Vrouwelijke atleten vertonen minder structurele en elektrische aanpassingen, en T-golf inversie voor in het borst is bij hen vaker benigne. Kinderen en adolescenten hebben een hoger risico op misclassificatie door onvolledige rijping. Masters (>35 jaar) hebben dan weer meer kans op coronairlijden, waarvoor geen specifieke ECG-normen bestaan.
4. Kostenplaatje en toegankelijkheid: grote verschillen wereldwijd
Italië toont dat een nationaal publiek programma betaalbaar kan zijn. In landen met overwegend privégezondheidszorg (zoals de VS) liggen de geschatte kosten véél hoger. Telegeneeskunde en AI-ondersteunde ECG-analyse zijn veelbelovend, maar nog onvoldoende gevalideerd voor atleten.
5. Secundaire preventie is even essentieel
Geen enkel screeningsprogramma vangt alle risico’s op. AED’s en reanimatietraining redden levens. In de VS leidde bredere toegang tot AED’s tot een daling van 70% in PHD bij universitaire atleten. In Italië verhoogde de “Balduzzi-wet” het aantal AED’s in sportfaciliteiten en verbeterde de overleving na buitenhospitale hartstilstand significant.
Praktische tips voor atleten en coaches
Voor atleten:
Neem een pre-participatie screening serieus, ook als je je gezond voelt. Veel hartziekten zijn asymptomatisch tot ze zich dramatisch manifesteren.
Heb je een familiegeschiedenis van plotse hartdood of cardiomyopathie? Meld dit altijd, ook als je er zelf nooit klachten van had.
Als je ouder bent dan 35 en intensief traint: weet dat het risicoprofiel verandert. Coronairlijden wordt de dominante oorzaak van PHD bij masters.
Raadpleeg de website sportkeuring.be voor advies of een doktersbezoek aanbevolen is.
Voor coaches en clubverantwoordelijken:
Zorg dat er een AED aanwezig is in de sportfaciliteit en dat minstens enkele stafleden weten hoe ze die moeten gebruiken.
Maak een noodactieplan op: wie belt 112, wie haalt de AED, wie begint met reanimatie? Oefen dit regelmatig.
Wees alert op atleten die klagen over hartkloppingen, duizeligheid, bijna-flauwvallen of onverklaarbare extreme vermoeidheid tijdens inspanning — dit zijn alarmsignalen die medische evaluatie vereisen.
Moedig vrouwelijke atleten en jeugdatleten actief aan om gescreend te worden, ook al zijn de criteria voor hen minder goed onderbouwd. Juist omdat ze ondervertegenwoordigd zijn in studies, verdienen ze extra aandacht.
Synthese
Hartscreening bij atleten heeft de afgelopen decennia enorme stappen vooruit gezet. Het ECG is onmisbaar, maar de criteria moeten verfijnd worden voor specifieke groepen. Economische en logistieke drempels vragen om creatieve oplossingen. En zelfs de beste screening heeft een vangnet nodig: brede beschikbaarheid van AED’s en mensen die kunnen reanimeren. De combinatie van primaire en secundaire preventie biedt de sterkste bescherming — voor elke atleet, op elk niveau.
Waarom je loopeconomie op vlak terrein niets zegt over je prestatie in de trail
In de klassieke inspanningsfysiologie is loopeconomie (Cr — de metabole kostprijs per kilogram per meter) één van de drie centrale prestatie bepalende factoren, naast de VO₂max en de lactaatdrempel (Dit is het zogenaamde Joyner-model). Wie minder energie verbruikt voor een gegeven snelheid, heeft een prestatievoordeel. Dat principe is goed onderbouwd voor marathonlopers.
Maar voor trail runners klopt dit niet. Trailwedstrijden omvatten doorgaans grote hoogteverschillen, en onderzoek toont aan dat de loopeconomie gemeten op vlak terrein nauwelijks correleert met trailprestaties. Het klassieke prestatiemodel van Joyner — VO₂max, lactaatdrempel en vlakke loopeconomie — verklaart slechts 48% van de prestatievariatie in trail running. Dat is een probleem voor coaches en sportwetenschappers die atleten willen testen en begeleiden.
De centrale vraag van dit onderzoek is dan ook: vanaf welke helling verliest de vlakke loopeconomie haar voorspellende waarde voor hellingsspecifieke economie?
Analyse van 23 studies
De onderzoekers voerden geen nieuw experiment uit, maar combineerden data uit 23 eerder gepubliceerde studies — samen goed voor 392 deelnemers en 1142 metingen.
Voor elke studie werd de Pearson-correlatiecoëfficiënt berekend tussen de vlakke en de hellingsspecifieke loopeconomie, en die correlaties werden vervolgens uitgezet als functie van het hellingspercentage. Tevens werd bepaald op welke helling de loopeconomie tijdens afdaling het laagst is — de zogenaamde “optimale helling”.
De belangrijkste resultaten
1. De correlatie verdwijnt bij steile hellingen
Op hellingen tussen -11% en +10% is de correlatie tussen vlakke en hellingsspecifieke loopeconomie hoog tot zeer hoog (r > 0,7). De loopeconomie op vlak parcours voorspelt dus goed deze bij die hellingen tot ±10%. Maar zodra de helling steiler wordt, brokkelt deze correlatie snel af. Bij hellingen ±20% is de correlatie vrijwel nihil.
De verklaring is fysiologisch én biomechanisch: op vlak terrein en lichte hellingen speelt elastische energieopslag en -teruggave een belangrijke rol. Op steile hellingen verdwijnt dat mechanisme grotendeels — bergop lever je puur concentrisch spierkracht, bergaf werk je bijna uitsluitend excentrisch. Dat zijn vaardigheden die verschillen van lopen op een vlak terrein.
2. De optimale afdaalhoek ligt rond -19%
Bergaf lopen verlaagt de metabole kostprijs tot op een bepaalde grens. Op hellingen van -19% en steiler worden de remkrachten zo groot dat de energiekost weer stijgt. De analyse wijst op een optimale afdaalhelling van ongeveer -18,8% — de helling waarop lopers het minst energie verbruiken per afgelegde meter. Op langere of technischere afdalingen kunnen veiligheid en terreincontrole dit optimum echter verschuiven.
3. Bergop is de relatie lineair
Bij oplopende hellingen stijgt de loopeconomie lineair met de helling, tot minstens +26,8% — de steilste helling in de database. Hoe steiler, hoe meer energie per meter. Dat is consistent met eerder onderzoek en logisch: bergop lever je vrijwel uitsluitend mechanische arbeid om het lichaam omhoog te tillen, zonder noemenswaardige terugwinning via elasticiteit of veerwerking.
Wat betekent dit voor coaches en atleten?
Test op relevante hellingen
Een inspanningstest op vlak terrein of zelfs op +10% helling volstaat niet om de specifieke capaciteiten van een trail runner in kaart te brengen. De auteurs suggereren +15% als standaardhelling voor tests bij trail- en berglopen, als praktisch compromis tussen specificiteit en uitvoerbaarheid. Hellingen van +20% zijn te steil voor minder getrainde deelnemers.
Train op steile hellingen
Training op hellingen van ±15% of steiler is waarschijnlijk nodig om loopspecifieke vaardigheden te ontwikkelen die niet automatisch volgen uit trainen op een vlak of licht glooiend terrein. Op zulke hellingen veranderen voetcontact, spieractivatie en beengeometrie fundamenteel, en die aanpassingen zijn trainbaar.
Bergaf verdient meer aandacht
Afdalen wordt fysiologisch begrensd door spiervermoeidheid (excentrisch belasting), niet zozeer door metabole parameters. Gerichte bergaftraining op steile hellingen (-15% of meer) kan helpen die neuromusculaire veerkracht te ontwikkelen. Hoewel specifiek bewijs hiervoor nog beperkt is, ondersteunen de biomechanische argumenten deze aanpak.
Vermoeidheid verandert het plaatje
Alle data in dit onderzoek zijn verzameld bij uitgeruste lopers. Vermoeidheid — zeker in ultratrails — zal vermoedelijk de optimale helling en de correlaties tussen vlakke en hellingsspecifieke economie verschuiven. Toekomstig onderzoek moet dit verder in kaart brengen.
Synthese
Wie trail runners test op een vlakke loopband, meet iets anders dan wat de sport vereist. Vanaf hellingen van ±10% ontkoppelen vlakke en hellingsspecifieke loopeconomie merkbaar. Relevante testing en training voor trail runners vereist steile hellingen — zowel omhoog als omlaag. +15% lijkt een goed praktisch startpunt.
Het onderzoek bevestigt dat trail running een discipline is die eigen fysiologische en neuromusculaire capaciteiten vraagt, die apart gemeten en getraind moeten worden.
De reparatiebelasting van krachttraining: waarom spierschade hypertrofie eerder vertraagt dan versnelt.
Krachttraining is een van de krachtigste stimuli voor spierhypertrofie. Maar tegelijk is het ook een mechanische aanval op je spiervezels. Zware krachttraining veroorzaakt microscopische beschadigingen aan de sarcomeerstructuur — de basiseenheid van je spier. Wat de wetenschap tot nu toe grotendeels heeft genegeerd, is hoe dat herstelproces precies verloopt en wat het betekent voor hypertrofie.
Deze review van de Duitse Sport Universiteit Keulen brengt voor het eerst op een geïntegreerde manier de moleculaire reparatiemechanismen in kaart na krachttraining, en legt uit hoe die mechanismen de brug vormen tussen spierschade en hypertrofie.
De moleculaire machinerie achter herstel en groei
CRYAB als bewaker van de sarcomeerstructuur
Binnen 30 minuten na een zware krachtsessie migreert Alpha-B crystallin (CRYAB) naar de beschadigde zones in de spiervezel. Daar stabiliseert het beschadigde structuureiwitten en voorkomt het verdere filamentaggregatie. CRYAB fungeert daarmee als een eerste responder die de schade beperkt terwijl het reparatieproces op gang komt.
CASA: de opruimdienst van de spier
Zwaar beschadigde eiwitten worden via Chaperone-Assisted Selective Autophagy (CASA) afgebroken. In spierbiopsiestudies van de onderzoeksgroep werd aangetoond dat dit proces al binnen 24 uur na intense excentrische belasting meetbaar actief is — en dat hetzelfde eiwit na 6 weken progressieve training juist toeneemt in expressie, als teken van structurele versterking.
Ruimtelijke regulatie: lokaal afbreken, globaal opbouwen
Een opmerkenswaardige bevinding is dat spiergroei en spierherstel letterlijk naast elkaar kunnen plaatsvinden in dezelfde vezel. Op de beschadigde microsites wordt mTORC1 — de centrale schakelaar voor eiwitaanmaak — lokaal geremd door het co-chaperon BAG3. Dat maakt gerichte autofagie [Autofagie is een biologisch proces waarbij bepaalde componenten van een cel – zoals beschadigde eiwitten of lichaamsvreemde deeltjes – afgebroken worden] mogelijk zonder dat de eiwitaanmaak elders in de vezel stopt. De spier differentiëert zo tussen zones die herstel vragen en zones die kunnen groeien.
CRYAB als transcriptionele schakelaar
In rusttoestand bevinden zich CRYAB-moleculen in de celkern. Na acute krachttraining verlaat CRYAB de kern en wordt daarmee een remmend signaal op spiergroei tijdelijk uitgeschakeld. Dit creëert een venster voor mTOR-gedreven spiergroei — een moleculair sluis die opengaat precies op het moment dat de spier het meest gereed is voor adaptatie.
Van schade naar hypertrofie: het tweesporenmodel
De studie beschrijft een overgang in twee fasen die zich afspeelt over de weken van een trainingsprogramma:
In de beginweken domineert het herstel. De post-trainingsrespons is breed en gericht op reparatie, stabilisering van cytoskelet en turnover van beschadigde eiwitten. Gemeten spiereiwitsynthese is hoog, maar de netto bijdrage aan spiergroei is beperkt — een deel van de vroege toename in spierdoorsnede is zelfs veroorzaakt door oedeemvorming, niet door echte hypertrofie.
Met progressieve herhaling treedt het “repeated bout effect” op: de cytoskeletstructuur wordt versterkt (meer desmine, meer FLNC, sterkere Z-schijf), lesies worden minder frequent en minder ernstig, en de reparatiebelasting daalt. Daarmee verschuift de post-trainingsrespons: eenzelfde werklast triggert minder schade, minder reparatieactiviteit en — cruciaal — meer netto myofibrillair eiwit-accumulatie (lees: hypertrofie). Minder signalering na krachttraining bij een getrainde sporter is dus geen teken van verminderde effectiviteit, maar van verhoogde efficiëntie.
Praktische aanbevelingen voor coaches en atleten
1. Spierpijn is geen graadmeter voor een goede training
Spierpijn (DOMS) en vroeg krachtsverlies zijn tekenen van een hoge reparatiebelasting, niet van een optimale groeistimulus. Protocollen met minder schade kunnen bij getrainde atleten vergelijkbare of zelfs betere hypertrofie opleveren.
2. Progressieve belasting is het sleutelwoord voor beginners
In de eerste weken van een trainingsprogramma is de post-trainingsrespons sterk gericht op herstel en structuurversterking. Dat is normaal en noodzakelijk — maar het betekent dat de zichtbare groei later komt dan de inspanning. Coaches moeten verwachtingen bijstellen en de nadruk leggen op consistentie en geleidelijke progressie, niet op maximale beschadiging per sessie.
3. Excentrische belasting vereist specifieke dosering
Excentrische contracties veroorzaken significant meer Z-schijfschade dan concentrische. Ze zijn waardevol voor structuurversterking op lange termijn, maar bij ongetrainde personen of na een trainingsonderbreking moet het excentrische volume zorgvuldig worden opgebouwd om de reparatiebelasting beheersbaar te houden.
4. Bij getrainde atleten: mechanische spanning boven schade
Naarmate de cytoskeletstructuur is versterkt, wordt het steeds minder efficiënt om schade als primaire groeistimulus te gebruiken. Wat telt bij ervaren sporters is voldoende mechanische spanning — niet de hoeveelheid herstelreactie daarna.
5. Volg progressie via prestatie, niet via gevoel
Een krachthersteltest (bv. krachtoutput 48 uur na training), tolerantie voor herhaalde belasting en structurele readiness zijn betere indicatoren van trainingsprogressie dan hoe stijf of pijnlijk iemand zich voelt. Dezelfde externe belasting kan bij twee atleten in totaal verschillende reparatielasten resulteren, afhankelijk van trainingsstatus.
Synthese
Spierschade na krachttraining is een belasting die de spier eerst moet verwerken voordat groei kan plaatsvinden. De moleculaire machinerie achter dat herstelproces is indrukwekkend gecoördineerd. Met progressieve training versterkt de sarcomeerstructuur zich, daalt de reparatiebelasting en wordt een groter deel van de anabole respons ingezet voor hypertrofie.
In de praktijk: bouw structuur op voordat je maximaal belast, gebruik progressieve overbelasting, en meet succes niet aan de mate van pijn maar aan de mate van aanpassing.
Referenties
Graziano F, Vecchio C, Corrado D, Zorzi A. Cardiac Screening in Athletes: Current Status and Future Challenges. Open Access J Sports Med. 2025;16:1-7
https://doi.org/10.2147/OAJSM.S523274Espeit, L., Besson, T., Sabater-Pastor, F. et al. Correlations Between the Metabolic Costs of Level and Graded Running: A Secondary Analysis of the Literature. Sports Med (2026). https://doi.org/10.1007/s40279-025-02381-5
Schaaf K, Jacko D, Gehlert S. The Repair Tax of Resistance Training: Microdamage Control as a Molecular Gatekeeper of Hypertrophy. Exerc Sci. 2026;35(1):18-32. https://doi.org/10.15857/ksep.2026.00059
Over 3LAB
3LAB is een Vlaams sportwetenschappelijk coachingbedrijf gespecialiseerd in triatlon en wielrennen. Wij combineren inspanningsfysiologie, metabole analyse en evidence-based trainingsprincipes om atleten en coaches te ondersteunen in het maken van onderbouwde trainingsbeslissingen.
Reinout Van Schuylenbergh (PhD) is sportwetenschapper en gecertifieerd level 3 triatlon- en wielercoach. Hij heeft meer dan 30 jaar ervaring als duursporter en duursportcoach op professioneel en Olympisch niveau.
Hij is zaakvoerder van Triathloncoach.be en 3lab.be, gastdocent aan de KU Leuven, docent aan de Vlaamse Trainersschool, facilitator bij World Triathlon en auteur van blogs en sportwetenschappelijke artikels. Hij leeft op het ritme van de muziek en outdoor sporten.
3LAB Substack bestaat enkel door jouw steun. Door het abonneren steun je ons netwerk.




